95
En je Heerschappy bespotten,
En een yeder, die het hoord,
Barst van lachen en schreewt: moord,
En men acht het voor een wonder,
Somer-Vorst en Winter-donder,
Maer dit wonder is noch meer,
Want de knecht gebiedt sijn Heer,
En de Meester, die moet letten
Op het kind zijn arme wetten’;
Nadat de Voerman dus geklaagd heeft over de vele onkosten, ten gevolge van het
drinken der hoofden, waardoor het Oude-Mannenhuis wordt benadeeld en hij zelf
genoodzaakt te sparen, daar hij nu minder kans heeft, eene plaats in dat gesticht
te veroveren, gaat hij over tot de regenten, die van 1638 tot 1639 aan het hoofd van
den Schouwburg stonden. In de ‘holle Jaepse basten’ ligt eene toespeling op Jacob
Bas Cornelisz, van wien mij niets bekend is; zeker behoorde hij niet tot het bekende
geslacht, dat in Amsterdam vele ambten heeft bekleed. - ‘Wijse Floris’ is, zooals
Unger reeds heeft meegedeeld, Floris Soop; op hem doelt ook, 19 regels verder,
de uitdrukking ‘'t soopje’. Ook in het volgende jaar was hij hoofd van den Schouwburg.
In de
Amsterdamsche Lindebladen
noemt Tengnagel hem onder de dichters. ‘De
swarte Leeu’, wiens vat sprekend wordt ingevoerd, was het huis
De Leupart.
Op
den Oude-zijds-achterburgwal was tusschen den Korten-niezel en het
Vredenburgssteegje een groot pakhuis, dat dien naam droeg. Daarin lag een
reusachtig vat, dat, naar men zeide, 112 okshoofden kon bevatten; het was ingericht
als eene gelagkamer, met eene tafel in het midden en banken aan den kant
1)
. Die
eigenaardige herberg werd veel bezocht door deftige menschen; o.a. kwam Daniel
Mostart, die secretaris van Amsterdam was,
1) Vgl. J. ter Gouw,
Eene wandeling in Amsterdam
,
in het midden der zeventiende eeuw
,
Amsterdam
,
C.L. Brinkman
, 1865, blz. 63, en zijne
Nalezing op de Amstelodamiana
, 1866,
blz. 107, 108.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale