198
weer de verwachting van den Christen geboren wordt: ‘Laat dan de natuur sterven!
- Zij leere mij slechts sterven! Zij verzekere mij dat even, gelijk uit hare asch weder
nieuwe schoonheden verrijzen zullen, het ons ook mede zo gaan zal, om nooit
weder te sterven’. Hirschfeld komt in n
o
. 24, zijn laatste vertoog, tot hetzelfde besluit,
ofschoon langs een eenigszins anderen weg. Hij begint namelijk met de epicuristische
aansporing: geniet van het schoone, zoolang het er is, en treurt niet, wanneer het
vergaan moet! Maar dan volgt ook de christelijke overpeinzing: met ons gebeurt
hetzelfde als met de natuur, evenals de winter zoo bergt ook de dood een kiem van
nieuw onsterfelijk leven in zich. Toch sluit Hirschfeld niet met deze gedachte af. Hij
keert in de laatste bladzijden weer tot de werkelijkheid terug en wijst op de vreugden,
die ook het koude jaargetijde ons verschaft: de wijnoogst in den herfst, in den winter
de herinneringen aan den schoonen tijd. Zoodat ook hier nogmaals blijkt, dat ondanks
eene algemeene overeenkomst in de gedachte, de alles overheerschende religieuze
stemming van Post zelve is.
Van zelf moest in het voorgaande reeds hier en daar een enkel punt van verschil
tusschen beide schrijvers ter sprake komen. Thans moge eene meer stelselmatige
opsomming dier punten volgen; daardoor zal duidelijk aan het licht komen, in
hoeverre Post zich van Hirschfeld verwijderd heeft. Het heeft den lezer stellig reeds
getroffen, dat de Duitsche schrijver in den winter slechts het kille en naargeestige
weet te zien, terwijl Post juist in den aanhef van haar werk eene opgetogen
schildering van ‘'s winters buiten’, ontwerpt. ‘Maar zou de Natuur daarom thans alle
schoon missen? De gure, de woeste winter, is wel treurig, maar toch een grootsch
toneel van Gods alvermogen’ (br. 3). Bij Post heeft de romantische
natuurbeschouwing reeds haar intocht gedaan, en zij schrijft gaarne over alles wat
grootsch is: de met sneeuw bedekte velden, een nachtelijk onweer, de zee enz.
Hirschfeld geeft weliswaar de beschrijving van een onweder (n
o
. 19), doch laat het
vooreerst
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale