
48
101 Ten bóssche waert hi hem ontstàl
1117 In sinen stégereep hi hem hìef.
Anders staat het met de verzen die van hetzelfde schema zijn, wat den aanloop
betreft, waar echter
tusschen S. en V.
een substantief voorkomt:
2395 Op den hélm hi den rídder sloèch
2473 Ten tógle hi nie wáre en nàm
4638 Ane hare líede si ráet sòchte
4932 Te Lónnen hi den cóninc vànt.
In vs. 2395 zou men ‘ridder’ nog in de rhythmische daling kunnen lezen; in de andere
drie verzen is dit uitgesloten met het tweede substantief. Blijkbaar is in deze zinnen
in den aanloop niet meer het psychol. subject geconcentreerd.
Onzeker is de plaats der zware heffingen in verzen, waar tusschen S. en V. een
adverbium staat:
144 In een dal hi
sere
vliet
731 Van watre hi
algader
seep
1705 Ten liebaerde hi
sere
ran
1707 Uter capellen hi
vollec
ginc
2313 Uter tenten si
sere
liep
2331 Ane den hals hine
vollike
warp.
Hier kan men twijfelen tusschen:
In een dál hi sere vlìet
In een dál hi sére vliet
In een dál hi sére vliét.
De slotsom is dus, dat in zinnen, wier aanloop bestaat uit praepos. + subst., het
rhythmische schema vaststaat, wanneer
tusschen S. en V.
alleen
pronomina of ‘dat’ (of ‘ge-’) voorkomen. Een schema met twee heffingen:
moet men aannemen, wanneer tusschen S. en V. een substantief is geplaatst.
Wanneer S. en V. door een adverbium worden gescheiden, is het rhythme neutraal.
We gaan over tot de gevallen, waar de aanloop bestaat uit
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale