40
De verklaring der redenen, die den dichter tot het gebruik der oude woordschikking
brengen, is alleen mogelijk met overweging der rhythmische invloeden. Voordat we
daartoe overgaan, zullen we de afwisseling der syntactische vormen van subject
en verbum nagaan
1)
.
De keuze van de woordschikking blijkt nl. in nauw verband te staan met het verschil
in vorm van
nominaal
en
pronominaal
subject en verder van het verschil in vorm
van
enkelvoudig
en
samengesteld
praedicaat.
A. Zinnen met aanloop.
Algemeene statistiek: 560 gevallen.
Enkelv. V. 269Samengest. V. 157Met inversie:
Enkelv. V. 120Samengest. V. 14Zonder inversie:
Hier blijkt reeds dadelijk een belangrijk verschil:
bij samengest. praedicaat is inversie nagenoeg regel: in 157 van 171 gevallen
(92%);
bij enkelv. praedicaat is inversie nog lang niet overheerschend: in 269 van 389
gevallen (69%).
I.
Zinnen met aanloop met inversie.
Hier onderscheiden we de zinsvormen, waar het subject den zin sluit, van dezulke,
waar op S. nog een zinsdeel volgt:
1
o
. Zinnen zonder achterstuk:
Nom. S. 37Pron. S. -1 vs. 37
a.
... V.S. 63
omvang
Nom. S. 3Pron. S. 12 vz. 4omvang
Nom. S. 7Pron. S. 15½ vs. 22omvang
Nom. S. 22Pron. S. -1 vs. 22
b.
... V...S. 25
omvang
Nom. S. 3Pron. S. -2 vz. 3omvang
Het schema ... V.Vf.S. of ... V.Vf.... S. komt niet voor
2)
.
1) Hier worden alleen de statistische verhoudingen vergeleken. De bewijsplaatsen der zinnen
met afwijkende woordschikking volgen in het tweede gedeelte: blz. 46 en vg.
2) Bij samengest. praed. is Vf. het verbum finitum en V. het nominale deel (partic. of infin.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale