
232
clyster
, zelden
cluster
(= noorddu.
kluster
, waars. *
kl stro
- < *
kl t-tro
-, zegt NED)
‘tros’, sedert 1387 ook ‘ronde massa of conglomeratie’, dat in betrekking kan staan
tot eng.
clot
, ags.
clot
(
t
): mhd.
kloz
,
klotzes
, nhd.
klotz
, wgm. *
klott
- < *
klutto
- m. of
n. ‘
klomp
’. Molema
kloeze
‘dikke gloeiende kool in een stoof’, dre. (Dr. Volksalm.
1840)
kloeze
‘hoop geglommen vuur (in eene test, stoof enz.), (sa.) ofr.
kluse
,
klûse
‘Klumpen, Kloss etc., speciell ein Klumpen od. Haufen glühender Kohlen’;
s
na lange
voc. uit
ss.
KLUNGEL. Men kan aan het bij Frank-Van Wijk vermelde toevoegen: Molema
klongel
,
klungel
‘bijzit’,
klongeln
,
klungeln
‘ongeoorloofde gemeenschap met iemand
hebben’.
KNEDEN. Ook fri.: Wangeroog
knide
(evenals b.v.
tride
‘treden’), nwfri. (hoewel
niet in Fri. Wb.)
kneedsje.
Verdere verwanten zijn
knoeien
en dial.
knooien
; z. ben.
en Ts. 32, 171, en ald. en ben. over
knoedel.
- Fr.-V.W. zegt: ‘Opvallend is Goer.
knê
i
“kneden”. Deze vorm geeft ons echter niet het recht ...
knaið
-, -
þ
- aan te nemen.’
Inderdaad is daarop, of eigenlijk op
knī
e
, geen enkel betoog te bouwen; immers Van
Weel heeft evenzoo bij oorsprong uit
ēdə
:
mī
e
‘mee(drank),
wī
e
r
‘weer’ (adv.); verder
onverklaarde
ī
e
in ‘reef’, ‘reven’ en ‘vreten’ (aan
ê
<
ai
<
aï
(
fraïtan
) is kwalijk te
denken; misschien heeft ‘reef’, ‘reven’ den vocaaltrap van on.
reifa
enz.).
KNERPEN ‘een geluid geven zooals grind waarop men loopt’ ken ik niet uit oudere
schrijvers; natuurlijk kan het een jonge klanknabootsing zijn, maar evengoed (vgl.
snerpen
) een verlenging van den wortel
knar
; z. Fr.-V.W.
knarren
en
knarsen
(waarbij
aan de
g
-vormen is toe te voegen eng. der 15 E
gnare
, 16
gnarr
(
e
) =
gnar
en mnd.
gnarren
‘knorren’, mnl.
gnerren
naast
gnorren
van varkens, ook ags.
gnyrran
‘to
snarl, growl’). Reden om ons woord voor oud te houden geeft dre.
knarpen
,
knerpen
‘klagen zonder gegronde redenen; morren’ (Dr. Volksalm. 1846); voor de ontwikkeling
der bet. ‘klagen’ vgl. gron.
kroaken
, bij Molema o.a. ‘het kreunen, klagen van oude
of zwakken menschen’.
KNEVEL(EN). Met mnl.
cnēvelen
‘binden’ vgl. dre.
knevel
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale