217
Etymologische aanteekeningen
1)
.
IEDER. De bevreemdende
î
<
ie
was in 't mnd., als men mag afgaan op de vrb. in 't
Mnd. Wb., de normale klank. Te vergelijken is ald.
imant
naast
iemant
,
iummant
e.a. vormen. Ook Hooft, Breero, Cats hebben, hoewel niet uitsluitend,
yder
; bij den
laatste is de wel eens onderstelde fri. oorsprong weinig aannemelijk. Voor zoover
de spelling een conclusie toelaat, schijnt
ij
te zijn gezegd in Haarlem, Amsterdam,
Utrecht; z. Nl. Wb. Hiermee stemt gron.
ieder
(
ie
als in 't ndl.) en (sa.) oostfri.
îder
overeen. Ook in mnl.
iegelijc
, mnd.
iegelik
,
ielik
wisselt
ie
met
î.
Misschien is de
ie
van
iegelijc
aan de volgende
î
geassimileerd; dan kon
îgelijc
naast
ieg.
veroorzaken,
dat naast het syn.
ieder
opkwam
îder.
Vgl.
iegelijk.
IEGELIJK. Z.
ieder.
Daar de voc. der eerste syllabe onderhevig was aan de wisseling
ie
:
î
, zoodat het taalgevoel minder vast was, bestond er niet veel weerstand tegen
het opkomen van een derden vorm, nl.
egelijc.
Ook deze kan door assim. ontstaan
zijn:
een iegelijk
>
een eg.
Beide verklaringen steunen elkander.
IJVER. Vanouds kan
îver
inheemsch zijn, indien men meegaat met Noreen Abriss
p. 46 (: nhd.
geifern
, ags.
ʒ-ífre
, ‘gierig’, oijsl.
g-ífr
‘heks’). Voor die opvatting, althans
tegen ontleening, spreekt ook Wangeroogsch
îvêr
(
sic
!) f. en n. ‘Eifer’ - te meer daar
het in genus van het du. verschilt -, refl.
îver
‘sich ereifern’, refl.
farîver
‘zich
overwerken’; Cad. Müller
iversinnig
(andere hss.
iferig
) ‘hastig, zornig’. - Ouder nnl.
1) Zie Tijdschr. XXXIII, 143-149; XXXIV, 1-22.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Commenti su questo manuale