Ansel VS211 Manuale Utente Pagina 13

  • Scaricare
  • Aggiungi ai miei manuali
  • Stampa
  • Pagina
    / 321
  • Indice
  • SEGNALIBRI
  • Valutato. / 5. Basato su recensioni clienti
Vedere la pagina 12
12
flei
‘vleierij’, en daar verder oostfri.-gron.
flîmstrîken
(z. bov.
fleemen
) ook zulk een
koppeling is, zoo dringt zich de gedachte op dat
flikflôien
in NW. Duitschl. is ontstaan
en door zijn eigenaardigen klank ook ten onzent opgang heeft gemaakt. Wvla.
flikkeflooien
zal wel vervormd zijn naar
hossebossen
,
harrewarren
enz. Dat het
Holst. Id.
flikfloien
voorziet van de toevoeging
holl.
bewijst niets: de afwijkende
formatie deed zeker aan vreemden oorsprong denken, en (
flik
)
flooien
ìs o.a. ndl.
Uit Ten Doornkaat Koolman zie ik, dat èn
floien
èn
flikf.
tot in Pommeren voorkomt.
Br.-ns.
floi
zal wel uit
floien
,
flei
uit *
fleien
geabstraheerd zijn, het laatste = mnd.
flêhen
,
flêgen.
Op zich zelf zou het voor de hand liggen,
oi
naast
ei
te beoordeelen
als in mnd.
moyen
,
meyen
‘spijten’ of
stroyen
,
streyen
‘strooien’, en dan aan
vergelijking met het laatste de voorkeur te geven wegens ndl.
ooi
, niet
oei.
Maar
noch het Br.-ns., noch het Holst. Idiot. kent, zoover ik zie, een dgl.
ei.
Men zal *
fleien
en
floien
dus moeten scheiden, wat trouwens met ndl.
vleien
en
flooien
ook het
geval is. (Te minder reden is er,
ei
te houden voor ingedrongen uit Dithmarschen,
waar dubbele vormen bestaan; z. Lasch Mnd. Gr. § 128 of Onze Volkstaal III.) Den
vermoedelijken grondvorm *
flaujan
zou men verwant kunnen achten met nu slechts
dial. eng.
flue
,
flew
1440
flew
) ‘shallow’, ‘open, wide, expanded’; voor de te
vermoeden oorspr. bet. ‘vlak’ vgl. het feit dat hd.
flach
ook ‘ondiep’ beteekent, en
dat mnl.
fletsen
‘vleien’ reeds Mnl. Wb. wordt afgeleid van
flat
‘vlak’ (gelijke afl. van
fra.
flatter
‘leuchtet nicht ein’, zegt Meyer-Lübke). Hierbij ook (z. Onze Volkstaal III
9) wvla.
fletten
‘graszoden uitsteken en effenleggen langs de waterdijken in polders
en bij andere waterwerken’. Vgl. ook voor de bet. wvla.
fleisteren
‘vleiende fletsen,
zachtjes met de opene hand slaan’, ‘vleiende smeeken, de mouw vagen, lamoezen,
fra.
cajoler
,
faire des caresses
’. Over igm. *
plăq
- z. Boisacq
πλάξ
, terwijl Walde
reeds
placere
daarvan afleidt. Nwfri.
flikflooije
geldt, evenals
moat
‘moot’, voor aan
het ndl. ontleend; z. laatstelijk Ts. 29, 87 noot; ik weet er ook niets aannemelijks
tegenover
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Vedere la pagina 12
1 2 ... 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 ... 320 321

Commenti su questo manuale

Nessun commento